Paranormaal blog

28. apr, 2017

Hoofdstuk 5 – voorspellingen met treintjes

Terwijl ik dit hoofdstuk noteer komen er massa's herinneringen bij me binnen. Het was een erg 'open' periode waarbij ik veel signalen van 'de andere kant' kreeg.

Het bosperceel waar we tegenover woonden had geen naam was een soort vijfhoekig plein met alleen maar bomen en struiken in het midden. Er liepen wegen omheen die een soort vijfhoekige ruit vormden.

Vanuit mijn kamertje kon ik niet alleen de klimeik zien, maar ook de weg met de parkeerplaatsen vlak voor onze deur en kleine rondweg die om het bosperceel heen liep. Alleen een hoofdlaan lang achter de begroeiing.
Ik was de oudste van drie kinderen en het enige jongetje. Vooral op zondagen, als mijn vader de hele dag voor de buis hing voetbal te kijken speelde ik vaak alleen. Mijn trein, een Trix Express met zo'n middenrail, vond ik altijd erg leuk. Tot ik besloot ermee op te houden. En dat kwam door wat ik je hierna zal vertellen.

Ik legde die trein op zondagen vaak uit en dan maar rondjes rijden. Op een bepaald moment had mijn vader, die onderhand genoeg kreeg van het mee uitleggen van de rails, twee grote multiplexplaten gemaakt en daarop alle rails vastgespijkerd. Dat was wel zo makkelijk: de platen hingen aan de muur en als ik met mijn trein wilde spelen hoefden die platen alleen maar naar beneden gehaald te worden en met een paar aansluitingen kon ik er mee aan de slag. Superhandig.

Het begon me op te vallen dat, als ik eenmaal lekker met de treintjes aan de gang was, er heel vaak een ongeluk gebeurde op de rondweg voor onze flat. Soms waren het kleien aanrijdingen zoals een auto die uit de bocht vloog, en soms waren het parkeerdeukjes die hier een daar ontstonden door onvoorzichtig rijgedrag. Het waren echter bijna altijd kleinere ongelukjes. Maar een paar gillende banden en een doffe blikken klap waren toch wel heel vaak te horen.

Op een gegeven ogenblik viel het me op dat als ik met de treintjes ging spelen er DUS een ongeluk gebeurde. Ik voelde de aanstaande ongelukken zo goed aan dat, ook als het geen zondag was en ik niet aan het spelen was, ik ze gewoon kon voelen aankomen. Gedurende enige tijd was het voorspellend gevoel zelfs zo sterk dat ik, als ik in bed lag, gewoon opstond en voor het raam ging zitten om het verwachte ongeluk te kunnen zien gebeuren. Ik vond dat heel spannend, alsof ik naar een film keek.

Eén keer zag ik een Peugeot 203 rondjes rijden en tegen een lantaarnpaal knallen. Of een keer een andere Simcaatje die tegen een geparkeerde Scaldia op knotste. Ik wist dat het ging gebeuren en het gebeurde dan ook. Soms dacht ik wel dat het kwam doordat ik mijn trein uitlegde.

Maar ik kreeg er genoeg van toen ik weer eens met mijn trein aan het spelen was en ja hoor, daar was het weer: het geluid van een claxon, gillende banden en een doffe knal. Ik legde mijn trein stil en ging kijken wat het deze keer was. Op de kruising van de hoofdlaan met onze rondweg lag een VW kever op zijn kant. Het was een groet puinhoop op de kruising. En er ergens in die VW lag een vrouw te krijsen "M'n kind! M'n kind!"

Ik werd er erg door aangegrepen en besloot om nooit meer mijn trein uit te leggen. Ik was ervan overtuigd dat het mijn schuld was dat die ongelukken gebeurden door het uitleggen van mijn trein. Maar ik ving gewoon één of ander signaal op van 'de andere kant' dat ik vertaalde door mijn trein uit te leggen.

En alhoewel ik stopte met treintje spelen bleven de ongelukken zich melden voor ze gebeurden. gelukkig nooit meer van die heel ernstige.

1. apr, 2017

Hoofdstuk 4 – bomen leven ook

In Zeist woonden wij tegenover een klein bosperceel. Er waren nog veel meer bomen in de buurt maar dat ene bosperceel was de beste speelplek voor een kind van een jaar of acht zoals ik toen was. Een prachtige oude eik die vlak voor onze flat stond en die destijds nog niet werd opgeknipt tot de belachelijke wattenstaafbomen die we tegenwoordig overal zien, was een echte klimeik met dikke takken. Er was niks mooiers dan zo ver mogelijk omhoog klimmen, of zo ver mogelijk naar het eind van één van die takken. En ik kon die boom vanuit mijn eigen kamertje altijd zien. Ook 's nachts, met van die gezichten erin….. Verder waren er tientallen kleine en grotere bomen en veel struiken. We speelden er uren. Ja, toen had ik nog vriendjes.

Dat hield vrij snel op toen we, in een speelse bui, langs en zo ongeveer dwars door allerlei struiken renden. Er overheen springen, dat was ook een populair tijdverdrijf.
Mijn vriendjes, geen idee meer hoe ze heetten, braken veel takken af en gooiden die dan gelijk weer weg. Ik vond dat stom en op een bepaald ogenblik riep ik verongelijkt, ik weet het nog goed: "Hé, bomen leven óók hoor!"
Dat was in de belevingswereld van de anderen wel zo'n ontzettend stomme uitspraak dat ze me heel erg raar aankeken. Is nooit meer goed gekomen.

Ik werd daarna heel erg veel gepest. Oh, ik deed wel wat terug hoor, als het me teveel werd, maar dan duwde ik gelijk iemand, met mezelf erbij, door een ruit van de entree van onze flat heen. Ook werd mij vaak de weg naar huis geblokkeerd door één bepaald manneke. Maar na een paar keer reed ik dwars door hem heen met mijn fiets. Kreeg ik wéér op mijn donder. Ik denk nu dat dat kwam omdat hij het zoontje van een bankdirecteur was en dat mijn vader daar zijn geldzaken deed. Misschien komt daar mijn aversie tegen de banken wel vandaan.
Wat is hier nou paranormaal aan? Niet veel, behalve dan dat ik op die nitwit leeftijd van me destijds al opkwam voor het leven van de bomen. Dat was wel apart. In ieder geval in de ogen van de anderen. Maar toen begon het pas echt, mijn paranormaliteit.

1. mrt, 2017

Hoofdstuk 3 – pendelen

Zoals gezegd, we verhuisden naar Zeist. We woonden in een flat boven mijn vaders werk. De lagere school waar ik naar toe moest kon ik bijna zien liggen, maar voor een kind van zes, zeven was het best nog een heel eind. Ik moest alweer acclimatiseren in een nieuwe omgeving. Met mijn ouders ging het bij vlagen ook niet erg best: ruzies, onverwachte stemmingswisselingen, slaande deuren tot de kalk van de muren in de gang naar beneden kwam. Ik trok me vaak terug in mijn kamer. Ik was nog enig kind, al zou dat snel veranderen, maar had toch al een eigen bedoeninkje.

Ik zat daar best vaak, peilend naar wat de stemming van mijn ouders bij benadering zou kunnen zijn. Die kon namelijk zomaar omslaan. Zó was het gezellig en even later kon ik geen goed meer doen. Voor mij was dat in 99% van de gevallen geheel raadselachtig, dus ik probeerde daar door diep na te denken en te 'peilen' achter te komen wat er aan de hand was of wat er aan de hand zou kunnen gaan zijn. Of wat ik fout had gedaan terwijl ik nog helemaal niet wist wat dan. Daar kwam ik vaak nooit achter, ook niet als ik met harde hand mijn kamertje in werd getetst. Met slaande deur als apotheose. En dan maar afwachten tot ik weer in genade viel en er weer uit mocht. Total raadselachtig was dat voor me.

Misschien daardoor, of door een combinatie van factoren, zat ik op de Lagere School op een bepaald moment met een potlood aan een touwtje te spelen. Geen idee wat ik aan het doen was. Het werd in ieder geval verboden en het speeltje werd me door de juf afgepakt. Op veel latere leeftijd begreep ik dat ik toen al had zitten te pendelen.
Ik ontmoette daar geen begrip of instemming voor, geen begeleiding of uitleg. Gewoon: 'Mag niet!" En weg was mijn speeltje!

11. feb, 2017

Hoofdstuk 2 – de onzichtbare kikker

Een paar jaar later. We verhuisden van Voorburg naar Arnhem, naar de wijk Presikhaaf. Daar zat ik op de kleuterschool (zo heette dat toen nog) en daarna op de Lagere school. Althans, alleen in de eerste klas. Daarna verhuisden we naar Zeist. Mijn vader had nogal een wisselend karakter (ik heb het dus niet van een vreemde) en moest nogal eens een andere baan zoeken. En dan gingen we gewoon daar wonen. Arnhem was ook weer niet zó raar want hij was in Nijmegen geboren. Mijn moeder in Amsterdam trouwens. Ze ontmoetten elkaar in Den Haag. Zodoende.

In Arnhem gebeurde ook iets raars. Ik was jong, zat dus op de lager school, eerste klas. We waren bij een tante van me die ook in Arnhem woonde. Op een dag ging ik spelen, een normale gewoonte voor kinderen. We gingen spelen bij een sloot of een andere natte plek. Ik weet dat niet meer zo goed. Wat ik wel weet is dat er op een gegeven moment een kikker achter op mijn rechterhiel sprong en zich daar vasthield. Wat ik ook deed, ik kreeg hem er niet af. Ik rende in gillende paniek naar het huis van mijn tante, steeds achterom kijkend en daar zat dan steeds die kikker. Ik kwam krijsend van angst bij de achterdeur van tante's rijtjeshuis aan. Mijn vader kwam naar buiten en vroeg wat er aan de hand was. 'Een kikker, er zit een kikker op mijn voet' Zoiets dergelijks moet ik geschreeuwd hebben. Maar niemand zag iets wat zelfs maar op een kikker léék.
Desalniettemin pakte mijn vader een waterslang en spoor mijn voet schoon. De onzichtbare kikker verdween in het putje naast de achterdeur. Maar nog steeds had niemand behalve ikzelf die kikker gezien.
Ik ben nog tijdenlang bang geweest voor dat putje. Niet voor kikkers, maar voor dat rare gevoel dat zo'n visioen zich aan je voet kan hechten tot je er horendol van wordt.

In Arnhem gebeurde verder niet veel op het buitengewone of paranormale vlak. Dat kon ook bijna niet, want toe ik zes was verhuisden we alweer. Naar Zeist, deze keer. Voor mij was dat een paranormale hotspot. Er gebeurde héél wat daar!

31. jan, 2017

Hoofdstuk 1 - het begin

Ik ben in Den Haag geboren, of 's-Gravenhage, zoals kakkers dat noemen. Maar het is gewoon een dorp dat Den Haag heet. Het heeft zelfs geen stadsrechten. Maar ze kunnen er heel deftig doen, dat wel.

Gedurende mijn eerste levensjaar woonde ik met mijn beide ouders in bij mijn oma, aan de Ohmstraat 51 in Den Haag. Het was een bovenwoning met een lange trap en een touw waarmee je de deur open kon trekken. En spionnetjes aan de schuiframen om te kunnen zien wat er beneden op straat allemaal gebeurde. Zoals de visboer die langskwam meet zijn roeptoeter: 'Fwooeeeet, verse vis, paling!' En de scharensliep.
Mooie herinneringen.

Die huizen zijn allang afgebroken zoals ik een paar jaar geleden tot mijn grote schrik merkte. Vooral dat 'mijn huis' er niet meer was. Dat was natuurlijk het huis van mijn oma. Het huis met Maupie de kat en haar kattenbak met turfstrooisel. De geur van roggebrood in de keuken. Het heet zinken dak, waar ik later zo veel zou spelen en glijbaantje zou spelen.

Maar toen ik twee was woonden we al weer ergens anders: aan de Prinses Mariannelaan in Voorburg, vlak bij de ophaalbrug, in een echt dertigerjaren huis.

Ik was dus twee en ik lag in mijn kinderbedje. Om één of andere reden werd ik wakker. Ik ging zitten en keek naar de deur, schuin links tegenover mijn bedje. Die deur stond op een kiertje en er kwam wat licht naar binnen.
In de deuropening stond een klein wezentje. Nog kleiner dan ik dus. Ik schrok niet, was niet verbaasd of bang. Ik vond het interessant. Dus wat deed ik? Ik klom uit mijn bedje en liep met mijn tweejarige beentjes op dat mannetje af. maar die vluchtte de gang in, de lange gang die naar de slaapkamer van mijn ouders leidde.

In die gang stond een scheepskist, ik denk dat die van mijn opa is geweest. Zeker weten doe ik dat niet. In ieder geval staat mij nog wel helder voor de geest dat het kleine wezentje op de voor mij verste hoek van die kist zat. Hij keek me aan en hield een armpje met gebalde vuist in de lucht. Wat dat betekende wist ik niet. Nogmaals, ik was niet bang en impulsief probeerde ik het wezentje met mijn beide kinderhandjes te pakken. Ik liep er op af en greep: mis!
Wèg was het wezentje. Ik had geen houvast en viel met mijn neus op de hoek van de kist. Ik bloedde en huilde want mijn rechter neusvleugel was gescheurd en ik bloedde ervan.

Tja. Leg dát maar eens uit aan je ouders als je twee bent! Ik hield er in ieder geval een litteken aan over. Het litteken dat mij nog jarenlang zou herinneren aan die vroege gebeurtenis die zoveel invloed op mijn leven zou hebben. telkens als ik mij bij paranormale verschijnselen afvroeg: "gebeurt dit nu echt" hoefde ik in geval van twijgfel alleen maar voor een spiegel te gaans taan en te lachen: dan verscheen het litteken, tussen mijn neusvleugel en mijn wang. Heel klein, maar o zo duidelijk.
Tegenwoordig is het niet langer zichtbaar. En ik hoef ook niet meer te twijfelen aan dingen die rondom mij gebeuren. Maar die herinnering, die staat in mijn geheugen gegrift!